Interview met Elvis Peeters

Al decennia schrijven Vlamingen Elvis Peeters en Nicole van Bael samen spraakmakende, bekroonde en veelvuldig vertaalde romans, zoals De ontelbaren, Wij, Dinsdag en Jacht. In hun nieuwste roman De ommelanden gaat de stadse fotografe Dora voor een kunstproject naar het honderden kilometers verderop gelegen achterland, een troosteloze woestenij, zo lijkt het. Wanneer ze strandt, komt de ware aard van de bewoners naar boven en verandert ook heel schoorvoetend haar eigen houding. In de stad maakt men zich ondertussen zorgen over Dora, maar tot handelen komt het eigenlijk niet echt.

Voor het eerst is Nicole van Bael ook aanwezig bij een interview.

Nicole & Elvis: ‘We hebben die beslissing genomen toen we deze roman aan het afwerken waren. Elvis heeft de promotie van onze boeken in het verleden altijd alleen gedaan. Ik heb meer dan vijfentwintig jaar het geluk gehad om in de luwte te kunnen blijven. Een echt cadeau. Maar de laatste twee jaar is Elvis vaak genoeg ongelukkig thuisgekomen, omdat er steeds meer opmerkingen over kwamen, in de trant van ‘dat ik een onderdrukt persoon zou zijn’. Uiteraard had Elvis daar wel een weerwoord op, maar vermoeiend blijft het. We wilden die kritische vragen, die feitelijk niets met de inhoud van een boek te maken hebben, ditmaal vermijden.’

‘Onze bijdrage aan het schrijfwerk is gelijkwaardig. Wij overleggen op café of in een koffiehuis. Over de te volgen strategie, becommentariëren elkaars stukken. Het thema doen we zogezegd tussen de soep en de patatten. Wanneer je gezamenlijk aan een boek werkt, dan is dat project ook letterlijk bij je thuis. We bewerken wel apart, ook in aparte ruimtes, mailen elkaar de teksten en bewerken die.’

De Ommelanden heeft een sterke vorm met veel wisselwerking tussen de verschillende verhaallijnen. De stijl, de dialogen lijken niet alleen in dienst te staan van het verhaal, maar ook van de vorm, van de vervreemdende atmosfeer van de roman.

‘We zijn begonnen met de fotografe Dora, dat was ons eerste personage. Een jonge vrouw uit de stad die in het vergeten achterland van Europa strandt. Dat vonden we een interessant gegeven. Tegenover die ik-persoon, als contrast, wilden wij een koor dat commentaar geeft. Zoals bij de oude Grieken. Een koor dat in de hoofden kan kijken van de personages, maar dat niet in kan grijpen. Op een gegeven moment hebben we ook besloten om het koor tegen het einde uiteen te laten waaien, er een aantal personages uit te lichten zonder het koor helemaal weg te smijten. Het was wel de bedoeling dat de perspectieven van de verschillende koorleden naadloos in elkaar over zouden gaan. Dat hun stemmen mochten zijn wat ze zijn. En in die zin het niet zo heel erg van belang is wie wat precies zegt.’

Het boek is heel erg opgebouwd uit het contrast tussen het snikhete, vergeten achterland van Europa en de stad. Je zou het een toekomstroman kunnen noemen, maar dan wel een waarbij die toekomst waarschijnlijk dichterbij is dan ons lief is.

‘Het is een boek dat openstaat voor meerdere interpretaties, heel erg afhankelijk van hoe jezelf bent en hoe je leest. De rijkdom van het boek is juist dat de reacties erop heel divers zijn. Er zijn lezers die het heel teder vinden, anderen vinden het juist weer heel hard, heel kritisch. Je wilt als schrijver een mooi boek schrijven. We waren het er wel over eens dat we actuele thema’s, of thema’s die snel actueel zouden kunnen gaan worden, zouden gaan gebruiken. Maar het was niet echt een opzet om direct een kritisch boek te schrijven. Dat is organisch gegroeid. We schrijven iets waarover we begeesterd zijn, en dat belandt in een boek. Ten tijde van de eindredactie waren we bij vrienden in Normandië. Het begin van de massale protesten van de gele hesjes. We zeiden tegen elkaar: Kijk het vervolg van De ommelanden is al bezig.’

De economie in De ommelanden is stilgevallen, de economie is geëmigreerd, de streek is willens en wetens opgegeven ter meerdere eer en glorie van de stadsmens. Dora fotografeert de teloorgang, fotografeert de resten, de dood, menselijke en dierlijke corpussen, allereerst als project, maar van lieverlee wordt ze erin meegezogen, opgenomen in de gemeenschap. De definitieve voltooiing door het vastleggen. Je krijgt al snel veel sympathie voor de bewoners in de rurale gebieden, die eerder van dag tot dag leven, daartoe wel gedwongen worden, omdat in dit geval het water eigenlijk letterlijk onder hen vandaan wordt gezogen. De stadse mens die een manier van leven oplegt.

‘Er zijn recensies, waarschijnlijk geschreven door stadsbewoners, die zich verbazen over de passiviteit van de bewoners van de Ommelanden. Terwijl er ook zijn – en daar sluiten wij ons bij aan – die de intensiteit van het leven aldaar interessant vinden. De economie is stilgevallen, maar is dat zo erg? Daar schuilt ook iets van de tederheid in. Wij hebben de Ommelanders, spontaan beschreven zoals wij denken dat ze kunnen zijn. Je merkt dat er een basale solidariteit aanwezig is, een veerkracht. Ze hebben mekaar nodig om überhaupt te overleven. Helpen elkaar en daarmee zichzelf. Zonder steun valt de gemeenschap uit elkaar. Dat besef is heel erg doordrongen van ieder afzonderlijk. En eigenlijk - iets dat ook tijdens het schrijfproces is gegroeid, duidelijk is geworden - zit in de stad de ware passiviteit. Er wordt door de zus van Dora bijvoorbeeld veel gepraat over een reddingsactie, maar gehandeld wordt er eigenlijk niet. De zus is zwanger, een andere vriend is weliswaar bezig met een waterproject in het achterland, of eerder het onttrekken van water, en zou indachtig zijn liefde voor Dora wel actie willen ondernemen, maar zodra het hem schaadt, ziet hij ervan af.’

‘De Ommelanders moeten nog echt met elkaar in interactie gaan. In de stad denkt men over het algemeen sterk individualistisch. Het individu dat zich tot een dienst wendt. En die dienst moet het dan maar oplossen. De stadse mens die bijna niet meer weet hoe iets in gang te zetten, met vrienden, met kennissen. Niet dat het in het achterland allemaal rozengeur en maneschijn is. De solidariteit is gestoeld op wederzijds eigenbelang. Daar moeten we niet naïef in willen zijn. We laten daarom ook bewust niet alleen de schone kant zien van het achterland. We wilden het absoluut niet idealiseren.’

Dora is in het begin nog echt de stadsmens die op bezoek gaat in het rurale en daar nog echt het gemis voelt van haar mobiele telefoon, van haar auto, van het bellen van een taxi, van alle gemakken die “levensnoodzakelijk” zijn in de stad. Langzamerhand wordt ze onderdeel van de gemeenschap, heeft eigenlijk al een voorschot genomen op het leven zoals het is in het achterland, door het maken van die foto’s. Ze glijdt er als het ware in. Is wel met een naïef stedelijk, artistiek uitgangspunt naar het achterland vertrokken, een kunstproces voor meerdere eer en glorie van haarzelf, de dood in het achterland die voor stadse mensen haast iets exotisch heeft, maar ze wordt van observator heel schoorvoetend deelnemer. Ze maakt ook steeds minder foto’s. De camera wordt neutraler. Ze moet haar missie opgeven.

‘Natuurlijk zijn er mensen die vanuit het achterland naar de stad trekken, vooral jongeren die het geen leven vinden, willen fuiven als ze daar zin in hebben. Maar ze komen veelal van een koude kermis thuis. In de stad zit men niet te wachten op nog meer mensen. Dat raakt aan de kern van het boek. Wie hoort bij de groep en wie niet? We hebben ons laten inspireren, al is dat een groot woord, door de gebeurtenissen na de bankencrisis van 2008 en de reacties daarop van 2010 en zo verder. Denk aan gebieden in Spanje bijvoorbeeld waar de overheid wegtrok, op een bepaald moment geen dokters meer waren, de elektriciteit niet meer betaald kon worden, er geen werkgelegenheid meer was en de pensioenen werden gehalveerd. Die mensen hebben daar spontaan iets in gang gezet wat een Grijze economie werd genoemd.’

Boven de hoofdstukken staat achtereenvolgens “Stad” of “Ommelanden”. Maar cruciaal zijn vooral ook de cursieven waarin een derde, niet nader bij naam genoemde entiteit aan het woord komt, die behoorlijk manipuleert, die pure retoriek bedrijft.

'Voor ons is dat een kracht of een ideologie die in een positie is om gehoord te worden, die vragen stelt, stellingen poneert. Een bovenlaag, een deken die zo ongeveer over het boek ligt. De stukken zijn zo geschreven dat je met de redenatie vlot mee kunt gaan, maar die, wanneer je ziet tot welke conclusies en tot welk gedrag dat leidt, zeer beangstigend zijn. Op het einde van het boek zou je akkoord kunnen gaan met zaken die je helemaal niet wil. Zo geraken denkelijk politici als Thierry Baudet en Donald Trump aan hun stemmen. Dat men een kern van waarheid proeft in de beweringen. Als daar genoeg elementen inzitten die het aannemelijk maken, dan kan men heel ver meegaan. Je zou De ommelanden een oefenboek voor kritisch denken kunnen noemen. Maar het blijft literatuur.’

De ideologische stem in De ommelanden stelt de vraag met wie we verder kunnen. Dat er geen toekomst is voor iedereen, omdat we met te veel zijn. Dat de mensen in het achterland het maar uit moeten zoeken met elkaar. Ga je alleen verder met de mensen die iets wezenlijks bijdragen, die economisch productief zijn, die consumeren. De bewoners van het achterland worden ontmenselijkt, een beproefde methode, door ze ‘waterobstakels’ te noemen.

‘Er zijn tendensen die op een nog sterkere verstedelijking aansturen. Sommige architecten schuiven dat ook naar voren als oplossing voor de klimaatcrisis. In feite is dat een ideologische vergoelijking om anderen “een kopje kleiner te maken”, voor de steeds maar groeiende kloof tussen arm en rijk. We gaan steeds meer in de richting van een verkapte particratie, waarin de politieke partijen feitelijk de macht hebben, waarbij de volksvertegenwoordigers eerder de belangen van de partij dienen dan van het volk, van het land. Je wordt regelmatig door de ideologische stem direct aangesproken, een bewuste keuze, omdat je daardoor het manipulatieve karakter goed kunt ervaren. De cursieve stukken, de ideologische stem kan niet zonder het decor van het verhaal in het achterland. Los van elkaar zou het niet werken. Ze versterken elkaar.’

De ommelanden is een subtiel antigeluid, heeft, hoe kan het ook anders, een open einde. Kritisch denken is geboden.