Interview met Michel Laub

Onder laconieke deeltitels als Een paar dingen die ik weet over mijn grootvader, Een paar dingen die ik weet over mijn vader, Nog een paar dingen die ik weet over mijzelf, vertelt de Braziliaanse schrijver Michel Laub (1973) in zijn roman Overal en altijd weer in een staccatostijl – de hoofdstukken zijn soms maar twee alinea’s lang – over zijn grootvader die na de Tweede Wereldoorlog naar Brazilië kwam. Ooit was opa een succesvol ondernemer, maar hij kwam berooid aan uit het verwoeste Europa met Auschwitz in zijn rugzak.

Hij praatte nooit over zijn verleden. Net zoals dames in Amsterdam-Zuid na terugkomst liever hun ‘schmerz’ in hun nerts verborgen. Tegen het einde van zijn leven sluit hij zich steeds vaker op in zijn kantoor – inmiddels had hij weer een klein zakenimperium opgebouwd – om in schriftjes zijn herinneringen op te tekenen. Aan zijn leven in Brazilië welteverstaan. In ijskoude statistieken en lemma’s.

Ondertussen wordt zijn zoon geïndoctrineerd door hetgeen verzwegen wordt door de overlevende. En op zijn beurt vererft hij dit trauma aan zijn eigen zoon, de verteller. Die is in eerste instantie dertien jaar oud en zet zich af tegen zijn vader en de schriftjes van opa. Natuurlijk veroordeelt hij net zo goed met felheid de wandaden van de nazi’s, maar hij heeft nog geen seconde het gevoel dat het iets met hemzelf te maken heeft.

Laub: ‘Ik zat op een Joodse eliteschool. Je werd er doodgegooid met waarschuwingen voor de antisemitische wereld. Zaken die voor degenen die uit de kampen terugkeerden sterk leefden, inclusief de heftige pijn, waren voor ons zinnen in boeken. Dat is de verschrikking van de geschiedenis, wanneer gebeurtenissen historie worden, data en feiten en meer niet. Onze afschuw was plichtmatig.’

De verteller wordt journalist en een tamelijk gewaardeerd schrijver. Door zijn drankgebruik mislukt huwelijk op huwelijk. In zekere zin draagt ook hij Auschwitz met zich mee. Laub weet hier mooi het boek van Primo Levi Is dit een mens te introduceren. Het absolute contrast met de schriftjes van de opa van de verteller. Levi legde immers elk detail van het kampleven zorgvuldig vast.

‘Je herinnering is niet objectief, het is wat we zijn. Iedereen gebruikt het in zijn eigen voordeel. De werkelijkheid is vaak onbegrijpelijk en fragmentarisch, je herinnering probeert er duiding aan te geven. Zo werkt het ook bij de Holocaust, al moet je bij dat zware onderwerp wel geschiedkundige en politieke aantekeningen maken. De grootvader heeft de Shoah overleefd en rechtvaardigt er zijn acties ten opzichte van zijn zoon mee. Hij wordt van slachtoffer tot dader. De aantekeningen van opa kunnen samengevat worden met het zinnetje: zoals de wereld zou moeten zijn, die van de vader met: de wereld zoals die werkelijk is. De twee totaal verschillende standpunten die een mens in kan nemen ten opzichte van het menselijk tekort.’

Allengs realiseert men zich dat ook de schrijver c.q. de verteller bezig is met het vastleggen van een deel van zijn leven. Hij herwaardeert zichzelf omdat hij op het punt staat een zoon te krijgen.

‘Alle drie de personages werken op een verschillende manier met dezelfde herinnering. We zijn geneigd om zwart-wit te denken, terwijl het heden een groot schemergebied is. Later kun je niet echt onderscheid maken en dus worden dezelfde fouten steeds opnieuw gemaakt. Dat is een triest aspect van de historie, maar een handjevol mensen zal uit het verleden iets leren. De verteller is het meest autobiografische personage. Hij is van mijn leeftijd en doet hetzelfde werk. Via hem heb ik mijn eigen ideeën over de Holocaust en de manier waarop je ermee kunt omgaan proberen te toetsen. De tekst is daardoor circulair geworden. Confronterend, maar met ritme. De Holocaust in de vorm van een samba. De paradox versterkt het effect.’

De verteller bevrijdt zichzelf door zijn zoon niet in haat op te voeden. Dat is hoopvol, maar er zit ironie in verborgen. Hij beschrijft voor het baby’tje hoe de wereld werkelijk in elkaar steekt. Hij verbindt de kleine pijntjes – wat is er erger voor een klein kind dan honger en kou – met het grote lijden zoals de Holocaust. De realiteit is helaas een herhaling van zetten van pijn.

‘De menselijke historie is een aaneenschakeling van rampen, oorlogen en slachtingen. Dat is algemeen bekend, maar je moet de mensen opnieuw overtuigen wanneer je een boek schrijft, van zoveel mogelijk kanten. Een boek als een mantra. Daarbij moet je jezelf niet al te serieus nemen. Is het mogelijk, is het toegestaan om een overlever van Auschwitz te haten? Je kiest niet wie je haat of wie je lief hebt. Dat is het bewijs dat een mens steeds weer een nieuwe pagina is.’