Oude demonen, nieuwe goden

Er zijn verschillende drijfveren om te lezen. Ik heb meer dan één niet-westerse collega horen verzuchten dat àls westerlingen hun werk al lezen, zij daar vaak didactische verwachtingen over koesteren. Hoewel ik de indruk heb meer te leren van fictie dan van non-fictie, beschouw ik dat soort leren tijdens het lezen als bijkomstig: mooi meegenomen om feitelijke kennis op te doen, maar als de fictie daardoor uitleggerig of belerend wordt, gaat het boek meestal dicht. Ik ga steeds op zoek naar literatuur die buiten de geijkte paden valt, en dat zowel inhoudelijk, vormelijk als geografisch. Tijdens het lezen ben ik toch in de eerste plaats gericht op het universele - wat we wél delen - en ook in het individueel afwijkende dat bij mezelf aansluit. Dat alles doet niet onder voor het verlangen verrast te worden.

Het heeft lang geduurd eer ik begreep dat niet iedereen op die manier leest. Naast degenen die - anders dan ik - feitelijke kennis willen opdoen, zijn er ook (veel) lezers die alles waarvan ze vermoeden dat het niet bij hun (blijkbaar onveranderlijk geachte) eigenheid of innerlijk past bij voorbaat uitsluiten. Een veronderstelde vriend wist me te vertellen dat hij geloofde 'dat verschillende volkeren slechts het dierlijke met elkaar delen'. Bijna dagelijks denk ik geschokt aan die woorden terug. Dus wel: slapen, eten, drinken, schuilen, neuken, baren en zijn behoefte doen. En niet: hardnekkig verliefd en vervolgens verpletterend teleurgesteld worden, intellectuele verschillen tussen mensen overbruggen of misbruiken, afgerekend worden op of je zorgen maken over je uiterlijk, vooroordelen koesteren en dat inzien, verteerd worden door spijt, liegen, ironiseren, afkijken bij je klasgenoot en al die andere menselijkheden, die in Oude demonen, nieuwe goden, een bloemlezing van Tibetaanse verhalen, nochtans volop aan bod komen, net als in zoveel andere boeken van vertegenwoordigers van 'andere volkeren'. Als je ze bij voorbaat uitsluit, kom je uiteraard niet te weten wat we delen. Of hoe literatuur over de continenten en eeuwen heen met elkaar spreekt, zoals in een scène in 'Het contact' van Bhuchung D. Sonam, waarin twee Tibetaanse tieners hun vriendschap bestendigd zien bij het lezen van een gedicht van Pablo Neruda, hoog in de Himalaya.

Ik kende enkel wat algemeenheden over Tibet voor ik het boek las, en die feitelijke associaties worden in de meeste verhalen zijdelings bekrachtigd: de dalai lama, monniken, de Himalaya, de Chinese bezetting sinds Mao, ballingschap, boeddhisme, mantra's, karma, gekleurde vlaggetjes. En er was ook wat culturele eigenheid te vinden die ik niet kende of over het hoofd had gezien, zoals de populariteit van Bollywoodacteurs, of het economische belang van de rupsenzwam.

In veel verhalen komen de politieke situatie en bijhorende wanpraktijken expliciet naar voren, soms vanuit onverwacht perspectief, bijvoorbeeld wanneer Woeser je in 'De tranen van Nyima Tsering' in het hoofd laat kruipen van een rationele maar bange, in Tibet gebleven monnik, die, tijdens een congres in Noorwegen, door woedende gevluchte Tibetanen wordt verweten een 'communistische lama' te zijn, een overloper. En dat is hij ten dele ook: tijdens zijn lezing praat hij het Chinese officiële verhaal over Tibet na. Het is angst. In de luchthaven overweegt hij te vluchten, maar hij blijft, in het vliegtuig huilt hij zo dat de anderen het niet merken.

Grappig zijn de momenten waarop er met culturele associaties wordt gespeeld. In 'Een tijd van retraite' van Tsering Namgyal Khortsa zit het hoofdpersonage in een boeddhistisch retraitecentrum bij de Catskill Mountains (in de staat New York). Hij, zelf Tibetaan, wordt er verliefd op een Amerikaanse, die hem tegelijk op de zenuwen werkt met haar voortdurende vragen over Tibet, 'totdat hij haar op een keer waarschuwde dat hij zichzelf in brand zou steken als ze hem nog één vraag voorlegde'. De Tibetanen in deze verhalen hebben onderling sterk verschillende meningen over Amerikanen.

Er zijn veel verwijzingen naar dromen, de natuur, het menselijk lichaam en meditatie. Maar ook is er de moderne wereld met sociale media, vliegtuigen en migratie. In haar voorwoord legt samenstelster Tenzin Dickie uit dat de schrijvers in Tibet, China, India, Nepal, de VS en Canada wonen. Dat merk je ook aan de verhalen. Ongeveer de helft is uit het Tibetaans vertaald, een enkeling uit het Chinees, de rest is origineel in het Engels geschreven, vaak door auteurs die zich in de VS hebben gevestigd. De negatieve meningen van een Nepalees over vluchtelingen, zoals verwoord in 'Liefdesbrief' van Tsering Wangmo Dhompa, doen akelig vertrouwd aan. In datzelfde verhaal, schrijft iemand die naar de VS is verhuisd: 'Er is bijna een jaar voorbij, en alles wat ik te zeggen heb past op één velletje. Is dat geluk?'