De val / Pech / Smithy

Volgens de achterflap van De val / Pech / Smithy is Friedrich Dürrenmatt (1921-1990) Zwitserlands bekendste schrijver van de twintigste eeuw. Ik dacht dat die eer aan Max Frisch te beurt viel, maar werd nieuwsgierig. Deze bundel met drie verhalen, in 1986 in Zwitserland verschenen en dit jaar knap vertaald door Ria van Hengel, was dus het eerste wat ik van Dürrenmatt las.

In de VS werden wel eens richtlijnen geformuleerd over de lengte waaraan een tekst moet voldoen om 'kort verhaal' te kunnen worden genoemd: duizend tot tienduizend woorden. In de praktijk is het niet moeilijk voorbeelden te vinden die daarvan afwijken. Zo zijn er de ZKV's (zeer korte verhalen) van bijvoorbeeld Lydia Davis, en ook sommige verhalen van Franz Kafka of Daniil Charms doen het met minder dan duizend. Twee van Dürrenmatts verhalen lijken me langer dan tienduizend woorden, zoals ook sommige verhalen van bijvoorbeeld Gogol en Alice Munro dat zijn.

In de drie verhalen in deze dunne bundel is Dürrenmatt bijzonder geïnteresseerd in machtsverhoudingen en de bijhorende mechanismen. In het eerste lange verhaal - 'De val' - behandelt hij dat thema op de meest letterlijke manier. Hij bekijkt een groep machthebbers van een totalitair regime van heel nabij. Eigenlijk staat het hele verhaal samengevat in één tijdloos toepasbare passage: 'De dertien mannen van het Politbureau beschikten over een ongehoorde macht. Zij bepaalden het lot van het reusachtige rijk, joegen tallozen de ballingschap, het gevang en de dood in, grepen in in het leven van miljoenen, stampten industrieën uit de grond, verplaatsten families en volken, lieten geweldige steden verrijzen, brachten onmetelijke legers op de been, beslisten over oorlog en vrede, maar omdat hun neiging tot zelfbehoud hen dwong elkaar te beloeren, werden hun beslissingen veel sterker beïnvloed door de sympathieën en antipathieën die ze voor elkaar voelden dan door de politieke conflicten en de economische omstandigheden waarmee ze te maken hadden. De macht, en daarmee de angst voor elkaar, was te groot om zuivere politiek te kunnen bedrijven. Het verstand kon daar niet tegenop.' De rest van het verhaal is een meer gedetailleerde uitwerking van die passage, loopt op een voorspelbare wissel van de macht uit en zou als de beschrijving van zowat elk totalitair regime uit heden en verleden passen. Dat Dürrenmatt de realiteit abstraheert door de personages geen namen te geven maar ze met letters te benoemen, brengt weinig teweeg, aangezien ook de voorbeelden uit de werkelijkheid onderling inwisselbaar zijn. Het abstractieniveau ligt nogal voor de hand.

Uiteraard kan deze grote Zwitser schrijven, dat staat in dit eerste verhaal al vast. Zowel stilistisch als inhoudelijk interessanter is echter het middelste verhaal 'Pech'. Hier begint Dürrenmatt met een beschouwend eerste deel waarin hij zich afvraagt of de auteur nog wel een nieuw verhaal kan vertellen. Ja, je kan nog wat mogelijke verhalen vinden, zo luidt zijn antwoord, 'doordat uit een alledaags gezicht de mensheid je aankijkt, pech zich onbedoeld uitbreidt tot iets algemeens, gericht en gerechtigheid zichtbaar worden, misschien ook genade, toevallig opgevangen, weerspiegeld in de monocle van een zuiplap.'

Het is zonde de plot van 'Pech' helemaal weer te geven, want dit is wel een verhaal dat ik iedereen zou aanraden. Laat ik het houden bij: een vertegenwoordiger in textiel krijgt autopech, ergens op het Zwitserse platteland. Hij klopt aan bij het huis van een stokoude man, die hem uitnodigt om tijdens een diner, samen met zijn eveneens hoogbejaarde vrienden, allen juristen op rust, een rechtszaak na te spelen, met de vertegenwoordiger in de rol van beklaagde. Er heerst een sfeer van angst, opwinding en totale uitgelatenheid. De decors zijn versleten en de grijsaards zweten, hebben hun hemden verkeerd geknoopt of dragen twee verschillende sokken. Er wordt gebulderd van het lachen, overdadig gevreten en gezopen, steeds wilder gaat het er aan toe, nu en dan wordt er gestreeld en omarmd. Voor de vertegenwoordiger krijgt de genade een verrassend gezicht.

Een zelfde nachtmerrie-achtige sfeer zit in het laatste verhaal, dat zich afspeelt in New York. Smithy is een man die in opdracht lijken laat verdwijnen. Er komt een zwijgende vrouw op zijn pad, de echtgenote van een zich God wanende machtige man. Bijna ongemerkt verandert de ontmoeting het leven van het hoofdpersonage. De rust waarmee Smithy verzet biedt bij zijn volgende opdracht, en de gelatenheid waarmee hij de consequenties van zijn daad aanvaardt, doen hem, net als de vertegenwoordiger in textiel in 'Pech', boven de anderen, boven de wereld uitstijgen.

Dürrenmatts verhalen bezitten een wonderlijke combinatie van voorspelbaarheid en verrassing, beklemmende duisternis en ongewone bevrijding.